Nieuwsbrieven

Reactie PVH op internet consultatie rond de huis- en hobbydierenlijst voor reptielen

Huisdieren Bezit

Consultatiereactie op het Aangepaste Toetsingskader Reptielen

Geachte heer/mevrouw,

Onderstaand vindt u onze reactie op de consultatie over het aangepaste toetsingskader reptielen. De reactie volgt de drie originele vragen uit de consultatie en is geformuleerd vanuit een wetenschappelijk methodologisch perspectief.

1. Wat vindt u van het aangepaste toetsingskader?

Het aangepaste toetsingskader beoogt een wetenschappelijke basis te vormen voor de risicobeoordeling van het houden van reptielen. De huidige opzet bevat echter meerdere methodologische beperkingen die de betrouwbaarheid, volledigheid en reproduceerbaarheid van de uitkomsten beïnvloeden.

1.1 Bronselectie en wetenschappelijke onderbouwing

De selectie van literatuur is niet systematisch tot stand gekomen. Peer-reviewed bronnen worden niet consistent gebruikt en relevante aanvullende kennis (zoals vakliteratuur, grijze literatuur en praktijkrichtlijnen) is grotendeels buiten beschouwing gelaten. Hierdoor ontstaat selectiebias, wat de validiteit van het toetsingskader beperkt.

Daarnaast blijken in verschillende gevallen conclusies niet geheel in overeenstemming met de inhoud van de geciteerde bronnen. Dit wijst op interpretatieverschillen of een onvolledige verificatie van de oorspronkelijke gegevens. Een wetenschappelijk toetsingskader vereist transparante bronverificatie en nauwkeurige correlatie tussen bron en conclusie.

1.2 Methodologische aannames en risico-inschatting

Veel gehanteerde risico’s zijn theoretisch van aard (in het Engels: hazards) en niet gekoppeld aan empirische data over de kans van optreden (in het Engels: risks). Een wetenschappelijk robuuste risicoanalyse vereist beide componenten. Zonder probabilistische of empirische onderbouwing ontstaat een risicobeeld dat niet representatief is voor de feitelijke houderspraktijk.

1.3 Ecologisch en fysiologisch aanpassingsvermogen

In de methodiek wordt onvoldoende rekening gehouden met het adaptieve vermogen van reptielen. Veel soorten beschikken over een ecologisch en fysiologisch aanpassingsvermogen, waardoor zij zich effectief kunnen aanpassen aan gecontroleerde omstandigheden. Het structureel buiten beschouwing laten van deze variabele leidt tot overschatting van welzijnsrisico’s.

1.4 Conclusie vraag 1

Hoewel het doel van het toetsingskader helder is, voldoet de huidige versie niet aan de basisprincipes van volledige en transparante wetenschappelijke onderbouwing. Hierdoor is de methodologie niet geschikt om als beleidsfundament te dienen.

2. Bent u het eens met de risicofactoren en risicocategorieën die zijn opgenomen in het toetsingskader?

Op basis van analyse van de gebruikte risicofactoren en hun onderbouwing kunnen wij niet
instemmen met de huidige opzet.

2.1 Dominantie van theoretische gevaren

Veel risicofactoren representeren hypothetische scenario’s, zonder empirische bevestiging van een werkelijke kans van optreden. Hierdoor wordt het onderscheid tussen een potentieel gevaar en een feitelijk risico onvoldoende gemaakt, wat leidt tot een overschatting van risico’s in de praktijk.

2.2 Voorbeeld: de houderij-omstandigheid wordt buiten beschouwing gelaten

Vele soorten reptielen worden al decennialang gehouden en in gevangenschap gekweekt. De kennis over hoe de verschillende soorten te houden is enorme gegroeid. Welzijnsproblemen doen zich uitsluitend voor als een reptiel niet op de juiste wijze wordt gehouden en verzorgd. Daarvan is in de praktijk nauwelijks sprake, veruit de meeste houders houden hun dieren op een uitstekende manier. Zo is het dierenwelzijn in orde én is de kans op verspreiding van zoönosen verwaarloosbaar. Dit is een voorbeeld dat laat zien dat een hypothetisch gevaar níets zegt over de werkelijke kans van optreden.

2.3 Consistentie en proportionaliteit

Voor een valide risicomethodiek moet worden getoetst of:

  • het risico empirisch aantoonbaar is,
  • de kans van optreden gekwantificeerd of kwantificeerbaar is,
  • de ernst van gevolgen relevant is voor beleid,
  • en of risico’s proportioneel verschillen tussen soorten.

Deze elementen ontbreken grotendeels, waardoor de risicocategorieën geen enkel houvast bieden voor beleidsvorming.

2.4 Conclusie vraag 2

De huidige risicofactoren en risicocategorieën vormen geen volledig, consistent en empirisch voldoende onderbouwd raamwerk voor betrouwbare risicoclassificaties.

3. Mist u nog zaken die van belang kunnen zijn bij het beoordelen van reptielensoorten op risico’s wanneer ze gehouden worden?

Wij vragen ons af of dit een retorische vraag is of bedoeld is als serieuze vraag. Gelet op het volledig ontbreken van een adequate wetenschappelijke onderbouwing, gaan we ervan uit dat u deze vraag serieus bedoelt.

In het kort: de belangrijkste elementen ontbreken en de niet-ontbrekende zijn slechts beperkt uitgewerkt.

3.1 Periodieke herziening en adaptief management

Het toetsingskader bevat geen mechanisme voor periodieke herbeoordeling of actualisering van risicoclassificaties. Gezien de snelle ontwikkeling van kennis over reptielenhouderij is een adaptief beoordelingssysteem essentieel.

3.2 Mogelijkheid tot bezwaar en herbeoordeling

Een wetenschappelijk toetsingskader vereist transparantie en de mogelijkheid om nieuwe gegevens, onderbouwde tegenrapporten of aanvullend empirisch bewijs in te brengen. Deze procedure ontbreekt in de huidige opzet.

3.3 Houderij-omstandigheid en vakkennis

De wijze waarop reptielen worden gehouden is maatgevend voor het wel of niet optreden van welzijnsproblemen en de kans op verspreiding van zoönose. Ook de relatie met het hoge kennisniveau (door houderijrichtlijnen, vakliteratuur, lidmaatschap van vakverenigingen, etc.) is essentieel. Zowel de houderij omstandigheid als de (bewezen) vakkennis van reptielenhouders ontbreekt aan het wetenschappelijke toetsingskader.

3.4 Alternatieve beleidsinstrumenten

Internationaal worden soort- of groep-specifieke houderijvoorschriften, zoals de mindestanforderungen in Duitsland, met succes toegepast. Deze benadering richt zich direct op huisvesting, verzorging en welzijn, en sluit sterker aan bij wetenschappelijke inzichten dan een statische positieflijst.

3.5 Ex-situ populaties en soortbehoud

Particuliere houders zijn voor veel soorten essentieel uit oogpunt van soortbehoud, onder meer via genetische reservestocks. Sommige houders werken zelfs samen met dierentuinen. Beleidsmaatregelen die het houden van soorten beperken, kunnen deze functie verzwakken. Dit aspect wordt in het toetsingskader niet meegenomen. Toepassing van het toetsingskader in de praktijk draagt bij aan het uitsterven van diersoorten.

3.6 Conclusie vraag 3

Voor een wetenschappelijk robuuste en toekomstbestendige beoordeling zijn aanvullende structuren nodig: actualiseringsmechanismen, bezwaarprocedures, empirische monitoring, beleidsalternatieven die direct op dierenwelzijn zijn gericht én oog voor soortbehoud.

Eindconclusie

Het aangepaste toetsingskader kent significante methodologische beperkingen op het gebied van bronselectie, risicoanalyse en het ontbreken van adaptieve en participatieve structuren. Hierdoor vormt het in zijn huidige vorm geen voldoende wetenschappelijk fundament voor beleidsvorming. Alternatieve instrumenten, zoals soortspecifieke houderijvoorschriften, sluiten beter aan bij internationale best practices en bieden een directere route naar verbetering van dierenwelzijn en het voorkomen van zoönose.

Download PDF: Reactie van PVH op de internetconsultatie rond de huis- en hobbydierenlijst voor reptielen

Wilt u zich als vereniging aansluiten bij het PVH, neem dan contact op via het contactformulier.

Wij vragen je toestemming voor het gebruik van cookies op deze website. Cookies zetten we alleen in voor functionele en analytische doeleinden waarmee we de dienstverlening op de website optimaliseren.
Ik ga akkoord